Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB7681

Datum uitspraak2007-12-11
Datum gepubliceerd2007-12-11
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00386/07
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schadevergoedingsmaatregel en mededader(s). Gelet op art. 6:7.2 BW, waarin is bepaald dat in geval van hoofdelijke verbondenheid van 2 of meer schuldenaren nakoming door een der schuldenaren ook zijn medeschuldenaren t.o. de schuldeiser bevrijdt, moet ervan worden uitgegaan dat in de zinsnede “dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen” ligt besloten, dat verdachtes betalingsverplichting aan de Staat ook komt te vervallen indien zijn mededader die schade aan de bp heeft vergoed.


Conclusie anoniem

Griffienr. 00386/07 Mr Wortel Zitting:16 oktober 2007 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [verdachte] 1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Arnhem waarbij verzoeker wegens "poging tot: afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, en verzoeker op de voet van art. 36f Sr, ten behoeve van de benadeelde partij en tot hetzelfde bedrag, een betalingsverplichting jegens de Staat opgelegd, met bepaling van vervangende hechtenis en met bepaling dat elk van de opgelegde betalingsverplichtingen zal komen te vervallen indien en voor zover verzoeker aan de andere, jegens of ten behoeve van de benadeelde partij opgelegde, betalingsverplichting zal hebben voldaan. 2. Namens verzoeker heeft mr R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend. 3. Het eerste middel bevat de klacht dat de in art. 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde redelijke termijn bij de behandeling van dit cassatieberoep wordt overschreden doordat de gedingstukken te laat aan de Hoge Raad zijn toegezonden. In aanmerking genomen dat het cassatieberoep is ingesteld op 21 april 2006, terwijl de stukken van het geding eerst op 7 februari 2007 - derhalve negen en een halve maand later - ter griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen, is de klacht terecht voorgesteld. Strafvermindering zal aangewezen zijn, doch om de gevolgen van de vertraagde inzending nog zoveel mogelijk te beperken wordt deze conclusie bij vervroeging genomen. 4. Het tweede middel komt neer op spitsvondigheden aangaande een verschil tussen de bewezenverklaring en kwalificatie enerzijds, en de strafmotivering anderzijds. Bewezenverklaring en kwalificatie komen er op neer dat verzoeker heeft gepoogd samen met een ander iemand af te persen, terwijl ten aanzien van de straftoemeting is overwogen dat verzoeker samen met een ander heeft gepoogd het slachtoffer af te persen. 5. Met aanhaling van een handboek wordt gewezen op de mogelijkheid dat een poging tot medeplegen niet strafbaar is, en daaruit wordt afgeleid dat medeplegen van een poging een wezenlijk ander feit is. 6. Het is een klacht waar ik zo min mogelijk tijd aan zal besteden. Gelet op de door het Hof bewezen verklaarde feiten is een dergelijk onderscheid - dat toch al een grote voorkeur voor studeerkamers vergt - in deze zaak niet aan de orde. Verzoeker heeft bij deze klacht dus geen belang. Zij leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering. 7. Het derde middel wijst op een onvolkomenheid die aanstonds kan worden hersteld. Het Hof heeft verzoeker veroordeeld € 200 aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verzoeker van deze betalingsverplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover zijn mededader betaalt. Vervolgens heeft het Hof verzoeker de verplichting opgelegd aan de Staat € 200 te betalen ten behoeve van de benadeelde partij. Tenslotte heeft het Hof bepaald dat de betalingsverplichting jegens de benadeelde partij zal vervallen voor zover verzoeker aan de Staat heeft betaald en vice versa, maar er is niet bepaald dat verzoeker van zijn betalingsverplichting jegens de Staat eveneens zal zijn bevrijd voor zover de benadeelde partij door de mededader zal zijn betaald. 8. Aangezien het Hof kennelijk heeft beoogd te bereiken dat de vordering van de benadeelde partij door zowel verzoeker als zijn mededader kan worden voldaan, kan de bestreden uitspraak verbeterd worden gelezen, aldus dat in de zin "Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd" de woorden vanaf "met dien verstande" worden geschrapt, en aan de volzin "Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen" wordt toegevoegd ", terwijl verdachte van de beide betalingsverplichtingen eveneens zal zijn bevrijd indien en voor zover zijn mededader aan diens betalingsverplichting jegens of ten behoeve van de benadeelde partij zal hebben voldaan". 9. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd doch uitsluitend ten aanzien van de straf; de straf zal worden gematigd in verband met het overschrijden van de redelijke termijn voor behandeling van dit cassatieberoep; de bestreden uitspraak overigens verbeterd zal worden gelezen als hiervoor, onder 8, vermeld, en derhalve het beroep voor het overige zal worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

11 december 2007 Strafkamer nr. 00386/07 AH/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 20 april 2006, nummer 21/005285-05, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Almelo van 18 oktober 2005 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 primair "poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, doch uitsluitend ten aanzien van de straf, de straf zal worden gematigd en tot verwerping van het beroep voor het overige. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. 3.2. De verdachte heeft op 21 april 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 7 februari 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering. 4. Beoordeling van het tweede middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 5. Beoordeling van het derde middel 5.1. Het middel behelst de klacht dat bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet is vermeld dat de desbetreffende verplichting niet geldt indien en voor zover de mededader de schade reeds heeft vergoed. 5.2. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: "Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd. (...) Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis. Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen." 5.3. Gelet op art. 6:7, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, waarin is bepaald dat in geval van hoofdelijke verbondenheid van twee of meer schuldenaren nakoming door een der schuldenaren ook zijn medeschuldenaren tegenover de schuldeiser bevrijdt, moet ervan worden uitgegaan dat in de hiervoor onder 5.2 vermelde zinsnede "dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen" ligt besloten, dat verdachtes betalingsverplichting aan de Staat ook komt te vervallen indien zijn mededader die schade aan de benadeelde partij heeft vergoed. Het middel ontbeert derhalve feitelijke grondslag. 6. Slotsom Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist. 7. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; vermindert de duur van de gevangenisstraf in die zin dat deze zestien maanden en drie weken, waarvan vijf maanden en twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt; verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 11 december 2007.